T 570

P.Krishna.

Besant Hall 23 mei 2003.

 

 

De toestand in onze maatschappij.

 

Vrienden, laat ik eerst mijn grote vreugde uitdrukken, nu ik hier na vele jaren terug ben in Naarden en ik zo veel bekende gezichten en oude vrienden zie. Ik ben de Theosofische Vereniging dankbaar, dat ze mij hebben uitgenodigd en mij de gelegenheid hebben gegeven om hier vandaag te zijn.

Wat ik in dit seminar met u wil doen is, op een heel praktische en pragmatische manier kijken naar de huidige stand van zaken van onze menselijke samenleving, na te gaan wat we de afgelopen eeuw hebben bereikt, met welke problemen we nu geconfronteerd worden en of we in de zelfde richting door moeten gaan of dat we van richting moeten veranderen. Als we van richting moeten veranderen, hoe kunnen we dat dan doen? Dat is in grote lijnen het doel van dit seminar.

Van veel van de onderwerpen die wij gaan behandelen, hebben we al eens iets gelezen of we hebben er over horen praten. Maar ik denk dat het altijd de moeite waard is om te proberen op een frisse manier naar welke situatie dan ook te kijken. Zo groeien we in ons begrip en daardoor ontstaat ook de mogelijkheid dat er iets nieuws in ons denken gebeurt.

Ik vraag jullie dus geduldig te zijn als een aantal dingen die ik aanstip nogal elementair klinken.

Als ik nadenk over hoe de menselijke samenleving er aan het begin van de 20e eeuw uitzag en dat vergelijk met de huidige situatie, dan is het duidelijk dat onze maatschappij in de laatste 100 jaar uiterlijk meer veranderd is dan in de duizenden jaren daarvoor. Er waren problemen zoals hongersnood en pest, slecht vervoer en† bijna geen mogelijkheden om wereldwijd met elkaar te communiceren. Er waren geen moderne methoden van landbouw en door een modern systeem van onderwijs en onderzoek, hebben we dat wel ontwikkeld. We hebben een gezondheidszorg ontwikkeld en we hebben experts op vele terreinen aangesteld die in staat waren veel van de problemen waar we aan het begin van de 20e eeuw mee geconfronteerd werden op te lossen. We kunnen terecht trots zijn op† de vooruitgang die wij geboekt hebben door de ontwikkeling van nieuwe kennis op alle gebieden en vooral op het gebied van de wetenschap en de technologie. Maar hoewel dit waar is, is het niet erg verstandig dat wij op onze lauweren rusten voor hetgeen tot nu toe bereikt is, en moeten wij ook kijken† naar de problemen† waar we nu wereldwijd mee geconfronteerd worden. Als ik hierover nadenk en stil sta bij de vraag† wat de belangrijkste uitdagingen zijn waar de moderne maatschappij mee geconfronteerd wordt, dan zou ik graag een voor een de volgende onderwerpen behandelen.

 

Allereerst lijkt het dat wij mensen nog enorm verdeeld zijn. Wij horen bij groepen Ė nationale groepen, religieuze groepen, taal groepen,† politieke groepen, groepen† volgens ras, kaste enz. Dit is een van de grootste problemen die ons de afgelopen duizenden jaren voortdurend vergezeld hebben. Er zijn weinig mensen die de eenheid van deze aarde ervaren en die respect hebben voor al het leven dat er op deze aarde is. Onze problemen zijn nu mondiaal, maar ons denken is dat niet. De economie is mondiaal geworden, wetenschap en technologie zijn mondiaal en de milieu problemen waar we mee geconfronteerd worden zijn wereldwijd, communicatie en transport hebben de wereld ineen doen schrompelen van wat nu een Ďwerelddorpí wordt genoemd, maar ons denken is nog steeds dorps gebleven. Dit komt omdat ieder mens geboren wordt in een bepaalde familie, in een bepaald land, in een bepaalde cultuur, met een daarbij behorende godsdienst en hij identificeert zich daarmee en voelt zich ťťn met die mensen die tot zijn cultuur, zijn familie en zijn land horen. Hij leeft mee met het welzijn van deze groep, maar voelt zich afgescheiden van andere groepen in de wereld. Iedere groep voelt zich de concurrent van een andere groep en omdat ze zich vooral bekommeren† om hun eigen welzijn, zijn ze bereid andere groepen uit te buiten en zien zij andere groepen als een bedreiging voor hun eigen veiligheid en bestaan. Alle oorlogen die we om ons heen zien, de terroristische activiteiten, de oproer van de kasten in India, de religieuze ongeregeldheden, de rassenrellen en veel van de conflicten en het geweld dat we tegenwoordig in onze maatschappij ondervinden kunnen teruggevoerd worden naar deze verdeling van mensen in verschillende soorten groepen.

 

Dit is geen nieuw probleem, het is er al duizenden jaren. De primitieve mens vocht voor zijn stam en de moderne mens vecht nog steeds, alleen die stammen groepen zijn vervangen door nationale groepen of religieuze groepen. Wij zijn nog steeds in oorlog met elkaar. Onze geschiedenis is een geschiedenis van oorlogen, we moeten ons dus afvragen: hoe kan dat veranderd worden? Waarom is het niet veranderd? Hebben we meer oorlogen nodig, meer ervaring om te leren dat oorlog geen problemen oplost? Of is het een bepaalde diepe, psychologische factor in onszelf, die verantwoordelijk is voor wat er gebeurt? We hebben ons niet echt bevrijd van deze verdeeldheid, we hebben het geaccepteerd.† We hebben alleen geprobeerd een Verenigde Naties te scheppen om uitwendig het probleem op te lossen wanneer het dringend wordt, maar innerlijk, in ons bewustzijn, gaat deze verdeeldheid door. Wij zijn niet in staat om dit probleem grondig op te lossen. Na elke wereldoorlog zijn er beslissingen en resoluties geweest en zijn er organisaties opgericht om te voorkomen dat er meer oorlogen kunnen plaats vinden. Maar oorlogachtige situaties blijven voortdurend uitbreken en deze organisaties moeten proberen om een soort vrede tussen de oorlogvoerende landen te stichten. Maar het probleem wordt niet opgelost. Er is dus een diepere oorzaak en tenzij we die oorzaak elimineren,† zijn wij alleen maar bezig met de uiterlijke symptomen.

 

Een tweede probleem dat onze maatschappij bedreigt, is de macht die beschikbaar is gekomen door de vooruitgang in wetenschap en technologie. Zoals ik al aanstipte, mensen waren verdeeld in groepen, die dit probleem van wederzijdse haat en geweld duizenden jaar geleden ook al hadden, maar toen hadden we niet de kennis om elkaar te vernietigen. Het probleem is dus, nu wij met ons moderne systeem van onderwijs en de zogenaamde vooruitgang die we gemaakt hebben in kennis, tot zoín geweldige macht, inclusief nucleaire macht zijn gekomen, de wereld een steeds gevaarlijker plaats wordt zolang wij nog steeds verdeeld zijn en elkaar haten. Omdat we nu in staat zijn tot een veel grotere uiterlijke manifestatie van geweld vanwege die innerlijke haat in ons.

 

Het derde probleem waarmee onze maatschappij geconfronteerd wordt zijn de milieu catastrofes waarover we iedere dag in de kranten lezen. Ik bedoel verschijnselen als het verminderen van de ozonlaag, het warmer worden van de aarde, woestijnvorming en bodemvervuiling, radioactieve neerslag en andere vormen van vervuiling, die alle een neven product zijn van de industriŽle beschaving die we opgebouwd hebben, die op hun beurt voortgekomen zijn uit de vooruitgang van wetenschap en technologie. Ik wil niet ingaan op de details van deze problemen, omdat we er allemaal bekend mee zijn; zij staan elke dag in onze krant. Ik wil de diepere vraag stellen vanuit welke bron deze problemen voortkomen. Als we naar de bron kijken, dan zien we dat de mens miljoenen jaren lang als deel van de natuur heeft geleefd en hij voelde een zekere liefde, een zeker respect niet alleen voor de levende dingen, maar voor de hele natuur, inclusief bomen, bergen en rivieren. Hij had het gevoel dat ze op de een of andere manier heilig waren. Maar gedurende de afgelopen paar honderd jaar heeft de industriŽle vooruitgang onze kijk op de natuur veranderd. Nu denken we dat we meester over de natuur zijn; dat de natuur een bron is die bedoeld is voor economische ontwikkeling. Als je dat koppelt aan de nationale competitie om het grootste deel van die bron voor zichzelf te krijgen, dan zie je dat ieder land wedijvert met een ander land om de eerste te zijn om die bronnen die de natuur biedt te exploiteren. Daardoor hebben deze concurrerende geest en de industrialisatie onze relatie met de natuur volledig veranderd.

Zelfs een land als Amerika, dat misschien de welvarendste natie op aarde is, is niet bereid de overeenkomst ter bescherming van het milieu te tekenen, omdat ze nog steeds hebzuchtig zijn m.b.t. de handelsvoordelen en de welvaart die verkregen kan worden door de natuur leeg te halen. Dit probleem van ecologische instabiliteit en milieu catastrofes verdwijnt dus niet alleen door uiterlijke controles. We moeten kijken naar de manier waarop we de natuur beschouwen en hoe we er mee verbonden zijn. Tenzij we in onze relatie met de natuur grondig veranderen, twijfel ik sterk of wij door uiterlijke controles in staat zijn deze problemen op te lossen. We moeten tenminste overwegen of we dit kunnen. De natuurlijke bronnen zijn tenslotte beperkt, maar de menselijke hebzucht is onbeperkt. Dus of we beheren de natuurlijke bronnen of we moeten leren de hebzucht in ons zelf te beheersen. We moeten dus beslissen wat beperkt en wat onbeperkt is.

 

Een vierde probleem komt voort uit het feit dat veel van de regeringen, vooral in de derde wereld landen, nog steeds dictatoriaal zijn. Het is onze ervaring dat de grootste misdaden in de afgelopen eeuw hebben plaats gevonden onder een dictator. De holocaust† gebeurde onder een dictator en we hebben nu vernomen dat het aantal wreedheden dat in Rusland in de tijd van Stalin werd bedreven zelfs nog groter was dan het aantal wreedheden onder Hitler in Duitsland, omdat je onder een dictatuur met succes kunt verbergen wat je aan het doen bent. De pers is niet vrij en informatie is niet beschikbaar. Het is niet zo dat er geen wreedheden worden begaan in democratische gemeenschappen, of dat de democratie automatisch wreedheid uitroeit, maar het is zeer zeker een bescherming tegen extreme wreedheden op grote schaal. Maar democratie is niet eenvoudigweg een kwestie van de vrijheid hebben om eens in de vier of vijf jaar een politiek leider te kiezen, of vrijheid van pers, van handel etc. We moeten tot een algehele geest van democratie komen. Als ik zeg dat democratie nodig is voor onze samenleving, dan bedoel ik niet alleen de uiterlijke vorm van democratie, die we tegenwoordig in veel van onze landen hebben, maar ook de geest van de democratie. De geest van de democratie is de geest van nederigheid. Het is de geest van samenwerken met een wederzijds respect voor elkaar. In essentie is het: zeggen dat niemand van ons echt weet wat de beste manier is om de samenleving te organiseren. Laten we dus bij elkaar komen en overleggen en bespreken wat de juiste manier is.Door deze discussie zullen we onszelf kennis bijbrengen over de betrokken onderwerpen. En als we onszelf op die manier ontwikkeld hebben, dan zullen we beslissen hoe we zullen handelen, of door een meerderheid van stemmen of door consensus en dan ( op experimentele wijze)die manier van handelen uit te proberen. Als het niet werkt gaan we weer bij elkaar zitten om te overleggen en† om beslissingen te nemen en van richting te veranderen. Dit betekent dus: een geest van wederzijds respect, een geest van experimenteren en van nederigheid.

 

Ik ben bang dat zelfs in die landen, die beweren dat ze democratieŽn zijn, de geest van de democratie vaak gemist wordt. Omdat wanneer je de macht van het geld of van de politiek gebruikt om stemmen te beÔnvloeden of te kopen of wanneer je probeert de pogingen van de andere politieke partij te saboteren om een natie op te bouwen, dan functioneer je ondemocratisch, dan functioneer je† niet in de geest van de democratie.

We hebben dus geen beschaafde democratie. We hebben een onbeschaafde democratie, oppervlakkig, alleen democratisch naar de vorm, niet naar de geest. Daarom zien we zoveel geweld en wreedheid en corruptie ook in zogenaamde democratieŽn. Dit probleem zal niet verdwijnen door eenvoudigweg de uiterlijke vorm van democratie te bezitten, het is nodig dat de democratische geest deel uitmaakt van ieder individu.† Een dictator is niet alleen een probleem wanneer hij aan het hoofd staat van een regering, maar ook wanneer hij aan het hoofd staat van een gezin, een bedrijf, een universiteit. We moeten dus een innerlijke verandering tot stand brengen van de dictatoriale benadering van het leven, naar een democratische benadering. We moeten ons zelf afvragen of het voldoende is uiterlijk te veranderen en een vorm van democratie te scheppen, of dat we ook een innerlijke verandering tot stand moeten brengen. Onze problemen zullen alleen opgelost worden wanneer we ook de geest van democratie tot stand brengen.

 

Als vijfde probleem zie ik wanneer ik naar onze gemeenschap kijk, de teloorgang van het instituut van het gezin en de samenwerking tussen man en vrouw. Het percentage echtscheidingen in de economisch meer ontwikkelde landen is tot boven de 50% gestegen. Men zegt dat er nu meer huwelijken worden verbroken dan dat er nieuwe huwelijken plaats vinden. Het instituut van het huwelijk werd ingesteld door de menselijke gemeenschap omdat het de beste manier leek om onze verantwoordelijkheid te vervullen ten aanzien van de jongere generatie. Niemand heeft een betere manier gevonden om die verantwoordelijkheid te vervullen, dan door een kind op te voeden in een huis met twee ouders die dat kind voortgebracht hebben. De teloorgang van het gezin is dus niet zo maar een kwestie van seksuele vrijheid maar heeft een diepgaande invloed op deze fundamentele voorwaarde van onze verantwoordelijkheid t.o.v. de opvoeding van kinderen in de samenleving. En als we dit probleem niet oplossen, dan zullen we merken dat de jongere generatie gewelddadiger en onzekerder zal zijn, omdat zij in een onveilige atmosfeer opgroeien. We moeten heel diep op de vraag in gaan waarom de samenwerking tussen man en vrouw mislukt. Ik pleit niet voor het oude systeem waar de man de vrouw domineerde, dat heeft zijn eigen ondergang voort gebracht. Vriendschap gebaseerd op gelijkwaardigheid is de enige vriendschap, anders is het een vorm van slavernij waar men over roddelt en wreedheid is daar inherent aan. We moeten dus niet het principe van het huwelijk behouden ten koste van de dominantie. De vraag is of wij samen kunnen blijven werken en leven in genegenheid en gelijkwaardigheid en ware vriendschap en onze verantwoordelijkheid t.a.v. onze kinderen kunnen vervullen.

 

Tenslotte is er het probleem van een zekere inertie in de maatschappij, die er voor zorgt dat we de dingen herhalen en die het zo moeilijk maakt om aan een probleem werkelijk een einde te maken. Iemand introduceerde bijvoorbeeld ongeveer 5000 jaar geleden het kastenstelsel in de Indiase samenleving. We weten niet wat voor vorm het toen had, maar in de vorm waarin het tegenwoordig in praktijk gebracht wordt† is het een gevaarlijke en discriminatoire bedreiging in de hedendaagse samenleving . Ondanks alle wetten om er een eind aan te maken en de poging van de regering om een sfeer van gelijkwaardigheid te scheppen, gaat het gewoon niet weg. Het vooroordeel gaat gewoon van de ene generatie over op de andere, als of het een infectie is. Zo is het ook in alle andere menselijke gemeenschappen. De joden vertellen hun kinderen dat de Arabieren hun vijanden zijn en de Arabische kinderen wordt verteld dat de joden hun vijanden zijn. De ouderen sterven maar hun vooroordelen gaan door in het denken van de jongeren. Hoe moet die verdeeldheid ooit eindigen? Tenzij we een onderzoekende geest scheppen, die alles wat door de ouderen verteld wordt onderzoekt en zich er niet blindelings aan conformeert, vrees ik dat er geen radicale verandering mogelijk is. Dit betekent dat de opvoeding niet een conformerende geest moet scheppen maar een onderzoekende geest die zich er van bewust is, dat hij in vooroordelen gevangen zit en die zich wil bevrijden door een zoektocht naar waarheid en rechtvaardigheid. Ik ben bang dat we dat in geen enkel land doen. Opvoeding is een middel geworden om eerder onze bijzondere vorm van illusies te verspreiden dan de zoektocht naar waarheid.

 

Als we al deze problemen in de maatschappij van vandaag onder ogen zien, kunnen we dan werkelijk beweren dat we intelligente mensen zijn? Of hebben we op een onintelligente manier gedefinieerd dat intelligentie alleen maar betekent dat we op een handige manier gebruik maken van de gedachte in een bepaalde richting?† Is wijsheid, wat betekent ons zelf begrijpen, niet nodig voor intelligentie? Ook moeten we vragen of de problemen die ik net genoemd heb, zullen verdwijnen door meer vooruitgang van het soort vooruitgang dat we al† hebben? Hebben we werkelijk steeds snellere computers nodig, nog snellere vliegtuigen, snellere communicatiemiddelen? Of gaan we die richting† alleen maar op uit loomheid, omdat, als dat waar is, wij niet veel verschillen van keizer Nero, als we lachen omdat hij viool stond te spelen, terwijl Rome in brand stond: is dat wat wij geleerd hebben om te doen? Zijn we ook niet met onze computers aan het spelen terwijl onze maatschappij in brand staat en wij geconfronteerd worden met al die catastrofale problemen die we zelf veroorzaakt hebben?

Over deze vragen zullen we ons op dit seminar beraden met een geest die tegelijkertijd† wetenschappelijk als religieus is. Wetenschappelijk in de zin van bij de feiten blijven, niet sentimenteel zijn, precies, zonder een autoriteit te accepteren, om bewijzen vragen, de waarheid aanvoeren, als het onbekende en vertrouwend op waarneming en onderzoek om deze te ontdekken; en religieus in de zin van het hebben van een bepaald vermogen tot affectie, respect en schoonheid, het waarderen van liefde, mededogen en rechtvaardigheid, zich bewust zijn van de beperkingen van kennis en rede en proberen om het leven op een holistische wijze te begrijpen, om te ontdekken wat werkelijk heilig is.

 

Vertaling:EKB

Correctie Govert.